Preventie

Houd rekening met de invloed van de volgende risicofactoren om decubitus te ontwikkelen:

  • verminderde voedingstoestand
    • neem voedingsanamnese af
    • screen de voedingstoestand met behulp van bijvoorbeeld de SNAQRC of
    • meet 1x per maand het gewicht
    • rapporteer gewichtsverlies
    • zorg voor voldoende inname van calorieën en eiwitten
    • zorg voor voldoende vochtinname
    • bied elke patiënt die risico loopt op ondervoeding en op decubitus minimaal SNAQ65+. 30-35 kcal per kilogram lichaamsgewicht per dag een met 1,25-1,5 g/kg/dag eiwit en 1,5-2 liter vocht per dag (bij BMI ≤ 27)
    • consulteer zo nodig een diëtist
  • verminderde perfusie en zuurstofvoorziening
  • inwerking van vocht op de huid
  • gevorderde leeftijd

Houd rekening met de mogelijke gevolgen van de volgende risicofactoren voor decubitus

  • wrijf- en schuifkrachten
  • stoornissen in de zintuiglijke waarneming
  • algemene gezondheidstoestand
  • lichaamstemperatuur

Gebruik de Bradenschaal voor een gestructureerde risico-inventarisatie.

Houdingsverandering ter preventie van decubitus

  • Pas, indien mogelijk, wisselhouding toe bij elke patiënt die risico heeft op decubitus.
  • Houd hierbij rekening met comfort.
  • Pas wisselhouding toe met een frequentie van 1x per 3-4 uur.
  • Maak gebruik van transferhulpmiddelen om wrijving en schuiven te verminderen en de transfer minder belastend te maken. Bij het wisselen van de houding de patiënt tillen en niet schuiven.
  • Maak bij wisselligging gebruik van 30 graden zijligging (afwisselend rechterzij, rug, linkerzij, rug, etc) of van buikligging indien de patiënt dit verdraagt en zijn/haar medische toestand dit toelaat. Vermijd houdingen die druk verhogen, zoals de 90 graden zijligging of de halfzittende houding.
  • Wanneer het zitten in bed noodzakelijk is, laat de patiënt in bed in de semi-fowler houding zitten.
  • Plaats de voeten van de patiënt op een voetenbankje of een voetsteun, wanneer deze niet op de vloer kunnen steunen.

Drukreducerende onderlagen

  • Baseer de keuze voor een matras, kussen of bed op basis van het vastgestelde risico op decubitus of op de categorie van al bestaande decubitus, op de mate van mobiliteit in bed, het comfort, de behoefte aan microklimaatbeheersing en de plaats en omstandigheden waarin de zorgverlening plaatsvindt.
  • Voorkom dat lakens te strak om het matras worden gespannen, waardoor een ‘hangmat-effect’ ontstaat en de drukreducerende eigenschappen teniet worden gedaan.
  • Schakel een ergotherapeut en/of fysiotherapeut in om te adviseren en te begeleiden in de keus en het gebruik van hulpmiddelen ter preventie van decubitus.
  • Wanneer het niet mogelijk is om de patiënt frequent van houding te laten wisselen, maak dan gebruik van een alternerend matras.
  • Continueer, indien mogelijk, het geven van wisselhouding, na de inzet van een drukreducerend matras bij alle patiënten die risico hebben op decubitus. Wanneer er gebruik gemaakt wordt van een drukreducerend matras, is wisselligging nog steeds noodzakelijk om te zorgen voor drukontlasting en comfort.
  • Zorg dat de hielen vrij liggen van de matras.
  • Hulpmiddelen om de hielen te beschermen moeten de hiel volledig oplichten, zodat de druk van het been verdeeld wordt over de kuit, zonder dat er druk ontstaat op de achillespees. De knie moet licht gebogen zijn.
  • Maak bij patiënten bij wie de mobiliteit beperkt is, waardoor zij risico hebben op decubitus, in overleg met een deskundige (bijvoorbeeld fysiotherapeut, ergotherapeut), gebruik van een drukreducerend zitkussen als zij op een stoel of in een rolstoel zitten.

Vermijd het gebruik van:

  • hulpmiddelen met uitsparingen
  • ring- of donutvormige hulpmiddelen
  • met water gevulde handschoenen

Australische medische schapenvachten kunnen mogelijk ondersteunen in het voorkomen van decubitus categorie I. Gebruik in ieder geval géén synthetische of andere natuurlijke schapenvachten om decubitus te voorkomen.