Inleiding

Voor de screening, de diagnostiek en behandeling van depressie is het van belang geïnformeerd te zijn over de aanwezigheid van ernstige cognitieve of communicatieve beperkingen.
Zonder ernstige cognitieve en communicatieve beperkingen kan de patiënt zelf zijn klachten/symptomen aangeven, terwijl bij patiënten met ernstige cognitieve en communicatieve beperkingen deze klachten/symptomen veelal door observatie vanuit mantelzorgers/professionele verzorgers aan het licht komen.
Dat heeft consequenties voor de screeningsinstrumenten, diagnostische criteria en de instrumenten die gebruikt kunnen worden om de effecten van de behandeling te objectiveren.
Bij de paragrafen over screening, diagnostiek en behandeling van depressie zal daarom steeds aandacht gegeven worden aan het al dan niet aanwezig zijn van ernstige cognitieve en communicatieve beperkingen.

Screening

Gezien het hoge risico op depressie bij kwetsbare ouderen wordt screening op depressie bij elk eerste nieuwe contact geadviseerd (elke nieuw opgenomen bewoner in verzorgings- en verpleeghuizen).
Bij bewoners zonder ernstige cognitieve (MMSE>14) of communicatieve beperkingen kan de GDS (Geriatric Depression Scale, 8-item versie of 15 item versie) gebruikt worden.
Bij bewoners met ernstige cognitieve (MMSE<15) of communicatieve beperkingen kan de Depression Rating Scale uit de Minimum Data Set van het Resident Assessment Instrument (MDS-DRS) gebruikt worden. Dit is een observatie-instrument, dat bij de mantelzorger uitgevraagd kan worden door de praktijkverpleegkundige.
In verzorgings- en verpleeghuizen kan ook de Cornell Scale for Depression in Dementia (CSDD) gebruikt worden. Deze kan door de praktijkverpleegkundige afgenomen worden bij twee verzorgenden die de bewoner goed kennen.
Bij score boven het afkappunt van de schalen dient nadere depressiediagnostiek plaats te vinden.
(Een score boven een afkappunt betekent dat het risico op een depressie verhoogd is).