Evaluatie

De informatie uit anamnese en lichamelijk onderzoek is vaak ontoereikend om de diagnose diep veneuze trombose (DVT) met zekerheid te stellen. Minder dan 35% van de patiënten met DVT presenteert zich met de klassieke symptomen (het been is warm, gezwollen en lokaal drukpijnlijk). Tegelijkertijd blijkt dat van patiënten die verdacht worden van DVT omdat ze symptomen hebben, uiteindelijk 20-30 % een DVT heeft. Nadere diagnostiek voor het aantonen of uitsluiten van DVT is dus noodzakelijk.
Differentiaaldiagnose DVT

  • spierscheur/spierhematoom
  • tromboflebitis
  • cellulitis/erysipelas
  • lymfangitis
  • artritis
  • (geruptureerde) Bakerse cyste
  • posttrombotisch syndroom

Met een anamnese en lichamelijk onderzoek kan de voorafkans op DVT worden bepaald door middel van een klinische beslisregel (Eerstelijnsbeslisregel DVT). Deze eerstelijnsbeslisregel DVT is een klinische beslisregel voor gebruik in de huisartsenpraktijk2. Er is ook een klinische beslisregel voor de tweede lijn Wells-score. Er is onderzoek gedaan naar de waarde van bovengenoemde beslisregels bij de verpleeghuispopulatie; deze blijken van beperkte waarde voor de verpleeghuispopulatie3,4.

Bij een combinatie van een Wells-score ≤ 2 en een normale D-dimeerconcentratie bij patiënten met verdenking op DVT is het veilig om deze diagnose uit te sluiten, in de tweede lijn. Voor patiënten opgenomen in een verpleeghuis is (nog) geen klinische beslisregel ontwikkeld3.

Overweeg bij een sterke klinische verdenking op DVT de behandeling met anticoagulantia te starten alvorens de diagnostiek is afgerond.